Prinses Alexia, de dochter van koning Willem-Alexander en koningin Máxima, bevindt zich in Londen in een fase van haar leven waarin ze bewust probeert op te gaan in de massa. Aan University College London bouwt ze aan haar academische toekomst, maar tegelijk ook aan iets wat voor haar minstens zo belangrijk lijkt: een bestaan dat niet voortdurend onder een vergrootglas ligt.
Sinds haar start in de Britse hoofdstad volgt ze een opleiding binnen de Faculty of Engineering, waar ze eerst begon met Science & Engineering for Social Change en later overstapte naar Civiele Techniek. Die keuze kwam na een korte periode van twijfels en zoeken, iets wat volgens bronnen binnen de koninklijke kring bewust niet breed wordt uitgelicht omdat haar studietijd als privé wordt beschouwd.
In Londen lijkt Alexia vooral te profiteren van wat de stad haar biedt: anonimiteit. Tussen duizenden studenten kan ze zich relatief onopvallend bewegen, iets wat in Nederland bijna onmogelijk is. De dynamiek van de stad maakt het mogelijk om even geen prinses te zijn, maar gewoon een jonge vrouw die colleges volgt, opdrachten maakt en probeert haar plek te vinden in een veeleisende opleiding.
Toch blijft haar situatie anders dan die van haar medestudenten. Elke stap kan in theorie worden vastgelegd, gedeeld of uitvergroot. Dat besef hangt als een stille schaduw over haar studentenleven, waardoor spontane vrijheid nooit volledig vanzelfsprekend is. Het is precies die spanning tussen normaliteit en publieke rol die haar leven in Londen zo uniek maakt.
Ondanks die druk laat ze in zeldzame momenten doorschemeren dat ze zich steeds beter voelt in haar keuze voor Londen en haar studie. Ze benadrukt dat het belangrijk is om iets te doen waar je je goed bij voelt, zelfs als dat betekent dat je onderweg van richting verandert en opnieuw begint.
Wat overblijft is een beeld van een prinses die niet in een paleis leeft, maar in een studentenstad waar niemand haar verplicht om prinses te zijn. En precies daar, tussen colleges en anonieme straten, probeert ze een gewoon leven te vinden dat eigenlijk nooit helemaal gewoon kan worden.